HOME
Kerstevangelie Lucas
Kerstevangelie Mattheus

VOEDERBAK IN
Jesaja
Job
Job 6
Spreuken
Lucas

 
Kerstfoto
Kerstzang
Knutselen met kerst
Kerstkleurplaten
Kerstverhalen
Kerstkaarten e-cards
Kerstoverdenkingen
Kerstdroom
Kerstkaarsje 
Kerstkindje
Kerstkribbe
Kerstplaatjes
Kerstengelen
Christelijke feestdagen
Kerstgedichten
Kerstnostalgie kaarten
 

Job 6:1-7:21
Jobs antwoord op Elifaz’ eerste betoog

[6] 1 Hierop antwoordde Job:

2 ‘Weeg mijn verdriet en mijn boosheid,
leg mijn lijden erbij in de weegschaal:
3 zwaarder is het dan het zand van de zee.
Daarom waren mijn woorden zo onbezonnen.
4 De pijlen van de Ontzagwekkende steken in mij,
mijn geest wordt door hun gif vergiftigd.
Voor mij staat de slagorde van Gods verschrikkingen.
5 Balkt een ezel bij het zien van mals gras,
loeit een os bij zijn voederbak?
6 Eet men flauwe spijzen zonder zout,
zit er smaak aan het wit van een ei?
7 Ik keer mij af van zulk voedsel,
het is weerzinwekkend.
8 Laat toch gebeuren waar ik om vraag,
laat God mijn hoop verwerkelijken.
9 Wilde hij mij maar verpletteren,
zijn hand terugtrekken, mijn levensdraad afsnijden.
10 Dat zou een troost voor mij zijn,
ik zou opspringen, ondanks de pijn die hij mij niet bespaart,
ik heb de woorden van de Heilige nooit verloochend.
11 Ik heb geen kracht meer om te wachten.
Met welk doel zou ik alles verdragen?
12 Is mijn kracht de kracht van stenen?
Is mijn lichaam hard als brons?
13 Vind ik nog ergens hulp?
Zal ik ooit weer aanzien krijgen?

14 Wie zich bekommert om een vriend in nood
toont zijn eerbied voor de Ontzagwekkende.
15 Maar mijn vrienden zijn onbetrouwbaar,
als beken die voorbijstromen,
16 troebel onder het ijs,
donker in de sneeuw.
17 ’s Zomers slinken ze en zijn niet meer te horen,
ze verdampen in de hitte en zijn onvindbaar.
18 Al kronkelend door de woestenij
eindigen ze in het niets en gaan verloren.
19 Karavanen van Tema speuren naar hun loop,
reizigers uit Seba rekenen op hun water.
20 Maar hun vertrouwen wordt beschaamd,
daar aangekomen zien ze zich bedrogen.
21 Welnu, zo zijn jullie ook geworden,
jullie zien mijn rampspoed en angst is jullie antwoord.
22 Heb ik jullie soms gevraagd: “Geef me iets”?
Of: “Betaal voor mij met jullie geld”?
23 Of: “Bevrijd me uit vijandelijke hand,
verlos me uit de macht van tirannen”?
24 Als ik iets misdaan heb, vertel het dan.
Leg het me uit, ik zal wel zwijgen.
25 Oprechte woorden sterken,
maar jullie verwijten – wat tonen die aan?
26 Nemen jullie me mijn woorden kwalijk?
Is mijn vertwijfeld spreken voor jullie niets dan wind?
27 Een weeskind zouden jullie nog verdobbelen,
jullie zouden zelfs je eigen vriend verkopen!
28 Keer mij je gezicht toe en luister.
Ik zal tegen jullie toch niet liegen?
29 Bezin je, laat geen onrecht gebeuren.
Bezin je, nog altijd sta ik in mijn recht.
30 Ligt er kwaad op mijn tong?
Ken ik de smaak van rampspoed niet?

[7] 1 Is het aardse leven van de mens geen slavendienst,
brengt hij zijn dagen niet door als een dagloner?
2 Als een slaaf smacht hij naar schaduw,
als een dagloner wacht hij op zijn loon.
3 Maanden van leegte heb ik ervaren,
nachtenlang werd ik door ellende overmand.
4 Als ik ga slapen, vraag ik: “Wanneer sta ik weer op?”
Maar de avond duurt en duurt
en onrust vervult me tot de ochtendwind komt.
5 Mijn lichaam is met wormen en korsten bedekt,
mijn huid verschilfert en laat los.
6 Mijn dagen gaan sneller dan een weversspoel,
ze haasten zich naar een einde zonder hoop.
7 Bedenk toch: in een zucht is mijn leven voorbij,
nooit weer zal mijn blik het goede aanschouwen.
8 Het oog dat op mij is gericht, zal niets zien:
u kijkt naar mij, maar ik zal er niet zijn.
9 Zoals wolken verwaaien en verdwijnen,
zo daalt de mens voorgoed af in het dodenrijk.
10 Naar zijn huis keert hij niet terug
en zijn woonplaats zal hem niet meer kennen.
11 Maar ik zal mijn mond niet houden,
zo beklemd als mijn hart is, zal ik spreken,
zo bitter als mijn ziel is, zal ik klagen.
12 Ben ik de zee of het zeemonster?
Moet u mij daarom bewaken?
13 Want als ik zeg: “In mijn bed vind ik troost,
mijn slaap zal mijn verdriet verzachten,”
14 dan schrikt u mij met dromen op,
en de beelden die ik zie, jagen me angst aan.
15 Liever zou ik gewurgd worden en sterven
dan in dit lichaam blijven.
16 Ik kan niet meer, ik zal niet eeuwig leven;
laat mij toch met rust, mijn dagen zijn al vluchtig.
17 Waarom acht u de mens zo hoog?
Waarom krijgt hij al die aandacht van u?
18 Elke ochtend dringt u zich aan hem op,
u onderzoekt hem, elk ogenblik opnieuw.
19 Wanneer wendt u uw blik eens af,
wanneer gunt u mij even rust, zodat ik kan slikken?
20 Heb ik gezondigd?
Heb ik u iets misdaan, bespieder van de mens?
Waarom hebt u mij tot mikpunt gekozen?
Ik ben mezelf al tot last.
21 Waarom negeert u mijn misstappen niet?
Waarom gaat u niet voorbij aan mijn fouten?
Weldra zal ik tot stof zijn vergaan,
u zult naar me zoeken, maar ik zal er niet zijn.’