HOME
Kerstevangelie Lucas
Kerstevangelie Mattheus

VOEDERBAK IN
Jesaja
Job
Job 6
Spreuken
Lucas


Kerstfoto
Kerstzang
Knutselen met kerst
Kerstkleurplaten
Kerstverhalen
Kerstkaarten e-cards
Kerstoverdenkingen
Kerstdroom
Kerstkaarsje  
Kerstkindje
Kerstkribbe
Kerstplaatjes
Kerstengelen
Christelijke feestdagen
Kerstgedichten
Kerstnostalgie kaarten
 

Job 38:1-41:26
Gods antwoord aan Job

[38] 1 En de HEER antwoordde Job vanuit een storm. Hij zei:

2 ‘Wie is het die mijn besluit bedekt
onder woorden vol onverstand?
3 Sta op, Job, wapen je;
ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.
4 Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet.
5 Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?
Wie strekte het meetlint over haar uit?
6 Waar zijn haar sokkels verankerd,
wie heeft haar hoeksteen gelegd,
7 terwijl de morgensterren samen jubelden
en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde?
8 En wie sloot de zee af met een deur,
toen ze uit de schoot van de aarde brak?
9 Ik hulde haar in een gewaad van wolken
en omwond haar met donkere nevels.
10 Ik legde haar mijn grenzen op
en sloot haar af met deur en grendelbalk,
11 en zei: “Tot hiertoe en niet verder,
dit is de grens die ik je trotse golven stel.”
12 Heb jij ooit de morgen ontboden,
de dageraad zijn plaats gewezen,
13 om de uiteinden van de aarde te pakken
en de goddelozen van haar af te schudden?
14 Als klei waarin een zegel wordt gedrukt, zo krijgt de aarde vorm,
haar oppervlak wordt gedrapeerd als een kleed.
15 Alleen de goddelozen blijven verstoken van het licht,
hun opgeheven arm wordt gebroken.

16 Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt,
heb jij over haar diepste bodem gewandeld?
17 Zijn de poorten van de dood aan jou getoond,
de deuren van het diepste donker – heb je die gezien?
18 Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten?
Vertel het, als je het allemaal weet!
19 Waar is de weg naar de oorsprong van het licht,
en de plaats van het donker – is die jou bekend,
20 zodat je het naar zijn gebied kunt voeren
en het pad naar zijn huis kunt vinden?
21 Jij weet dat vast, want jij werd toen geboren,
zoveel jaren liggen achter je!
22 Ken je de voorraadkamers van de sneeuw,
heb je de voorraadkamers van de hagel gezien,
23 die ik heb aangelegd voor tijden van nood,
voor dagen van oorlog en strijd?
24 Hoe kom je op de plaats van waar het licht verspreid wordt,
van waar de oostenwind over de aarde uitwaait?
25 Wie heeft de geulen gekliefd voor de stromen,
de weg voor donder en bliksem gebaand,
26 zodat de regen neervalt op de onbewoonde aarde,
op de woestijn waar geen mensen leven,
27 en wildernis en woestenij doordrenkt raken
en er overal jong gras opschiet?
28 Heeft de regen een vader?
Wie brengt de dauwdruppels voort?
29 Uit welke schoot wordt het ijs geboren,
wie baart de rijp van de hemel,
30 wanneer de wateren stollen, hard als steen,
wanneer het oppervlak van de zee bevroren raakt?
31 Kun jij de Plejaden aan banden leggen
of de ketenen van Orion losmaken?
32 Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen
en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen?
33 Ken jij de wetten van de hemel,
kun jij jouw orde aan de aarde opleggen?
34 Kan jouw stem de wolken bevelen
om je met hun regenvloed te bedekken?
35 Kun jij de bliksems uitsturen,
zullen ze jou zeggen: “Wij staan klaar”?
36 Wie heeft de ibis zijn wijsheid gegeven,
van wie heeft de haan zijn inzicht gekregen?
37 Wie is in staat om de wolken te schikken,
en de kruiken van de hemel – wie kan ze kantelen,
38 zodat het stof op aarde stolt
en in kluiten samenklontert?
39 Kun jij voor de leeuw op prooi jagen
en de honger van de welpen stillen, (38:39-41) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:1-3.
40 wanneer ze weggedoken zitten in hun holen,
of op de loer liggen onder een dak van bladeren?
41 Wie verschaft de raaf zijn voedsel,
wanneer zijn jongen God aanroepen,
wanneer ze zonder voedsel rondzwerven?
[39] 1 Weet jij wanneer de berggeit moet werpen?
Ben jij getuige van de weeën van de hinde? (39:1-30) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:4-33.
2 Kun jij de maanden tellen dat ze moet dragen,
weet jij wanneer ze moet baren,
3 wanneer ze hurkt om te jongen,
om van haar kalveren verlost te worden?
4 Haar kroost wordt sterk en groeit op in het vrije veld,
dan gaat het weg en het komt niet meer terug.
5 Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven,
wie heeft de balker van zijn banden bevrijd?
6 Ik laat hem wonen in de wildernis,
de zoutvlakte is zijn domein.
7 Hij spot met het lawaai van de stad,
het geschreeuw van de drijvers hoort hij niet.
8 Hij stroopt de bergen af, zijn weidegronden,
hij speurt naar ieder stukje groen.
9 Zou de wilde stier bereid zijn jou te dienen,
zou hij willen overnachten bij je voederbak?
10 Kun jij hem met een touw voren laten trekken,
zou hij achter jou de dalgrond eggen?
11 Kun je op hem vertrouwen, zo sterk als hij is,
en aan hem het werk overlaten?
12 Ben jij er zeker van dat hij binnenhaalt
wat jij gezaaid hebt en het naar de dorsvloer brengt?

13 Het struisvogelvrouwtje staat vrolijk te klapwieken,
maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar.
14 Ze legt haar eieren op de grond
en laat haar legsel door het zand verwarmen;
15 ze vergeet dat een voet het kan breken,
dat een wild dier het kan vertrappen.
16 Ze is hard voor haar jongen, alsof ze niet van haar zijn,
onverschillig of haar moeite misschien voor niets geweest is,
17 want God heeft haar elk inzicht onthouden
en haar niet met wijsheid begiftigd.
18 Maar wanneer ze opspringt en wegsnelt,
lacht ze paard en ruiter uit.
19 Geef jij het paard zijn kracht?
Bekleed jij zijn nek met welige manen?
20 Laat jij hem voorwaarts springen als een sprinkhaan,
terwijl zijn geweldige briesen angst aanjaagt?
21 Van vreugde schraapt hij de grond in het dal;
fier rukt hij uit, de strijd tegemoet.
22 Hij spot met het gevaar, niets maakt hem bang;
hij deinst niet terug voor het zwaard.
23 Pijlen schieten hem voorbij,
speren en lansen flitsen langs hem heen.
24 Driftig stampend woelt hij de grond om,
onbeteugelbaar wanneer de hoorn eenmaal schalt.
25 Bij elke stoot van de trompet roept hij “Aaah!” –
hij ruikt de oorlog van verre,
hoort het getier van de aanvoerders, de kreten.
26 Is het aan jouw wijsheid te danken dat de valk opstijgt
en zijn vleugels spreidt om zuidwaarts te trekken?
27 Vliegt de gier weg als jij hem beveelt,
om zijn nest hoog in de bergen te bouwen,
28 op een rots waar hij woont en overnacht,
op een richel, een onbereikbare piek?
29 Van daar spiedt hij naar prooi,
zijn oog speurt in de verste verten.
30 Zijn jongen slurpen bloed;
waar gevallenen liggen, daar is hij.’

[40] 1 En de HEER vervolgde: (40:1-5) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:34-38.

2 ‘Een mens die met de Ontzagwekkende twist – kan hij hem iets leren?
Laat hij die God terechtwijst op dit alles antwoorden!’

3 En Job antwoordde de HEER:

4 ‘Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
5 Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer,
tweemaal – en doe er het zwijgen toe.’

6 Toen antwoordde de HEER Job vanuit een storm: (40:6-32) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 40:1-27.

7 ‘Sta op, Job, wapen je;
ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.
8 Wil je mijn recht loochenen,
wil je mij schuldig verklaren en zelf vrijuit gaan?
9 Is jouw arm zo sterk als die van God,
heb jij zo’n donderstem als hij?
10 Tooi je dan met trots en waardigheid,
omkleed jezelf met eer en glorie.
11 Stort je razende woede over alles uit,
zie je een hoogmoedige – verneder hem,
12 zie je een hoogmoedige – buig zijn nek,
vertrap de goddelozen, waar ze ook zijn.
13 Begraaf ze allemaal in het stof,
beneem hun in de onderwereld het gezicht.
14 Wanneer je op eigen kracht zult winnen,
dan zal ook ik je prijzen.

15 Zie het nijlpaard dat ik heb geschapen, net als jou;
het eet gras als een rund.
16 Hoe krachtig zijn zijn lendenen,
hoe machtig de spieren van zijn buik!
17 Hij kan zijn staart rechten als een ceder,
de pezen van zijn dijen spannen zich in bundels.
18 Zijn botten zijn staven van brons,
zijn ribben stangen van ijzer.
19 Hij is een van Gods eerste meesterwerken,
tegen hem trekt alleen zijn maker het zwaard.
20 Zijn voedsel vindt hij in de bergen,
waar de dieren van het veld zich vermaken.
21 Hij strekt zich uit onder de lotusplanten,
hij ligt verborgen tussen het riet van het moeras.
22 De lotusplanten hullen hem in hun schaduw;
de wilgen van het dal beschutten hem.
23 Hij slurpt een rivier leeg zonder zich te haasten;
hij blijft kalm wanneer de Jordaan zijn muil in golft.
24 Wie kan oog in oog met hem staan
en een ring door zijn neus halen?
25 Kun jij met een haak de krokodil op de kant trekken
en zijn tong met een touw beteugelen?
26 Kun jij met een riet zijn neus doorsteken
en met een doorn zijn kaak doorboren?
27 Zou hij jou bidden en smeken
en vriendelijke woorden tot je richten?
28 Zou hij een verbond sluiten met jou,
zodat jij hem voortaan als knecht kunt hebben?
29 Kun je met hem spelen als met een vogel,
hem aan een touw houden, voor je dochters?
30 Zal het vissersgilde over zijn prijs onderhandelen
en hem tussen de kooplieden verdelen?
31 Kun jij speren in zijn huid planten
en een harpoen door zijn kop steken?
32 Waag het eens hem aan te raken –
weet wel: het zou je laatste strijd zijn.
[41] 1 De hoop van elke aanvaller wordt beschaamd,
alleen al bij zijn aanblik wordt hij teruggeworpen. (41:1-26) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 40:28-41:25.
2 Wie zou het wagen om hem op te schrikken?
Wie kan aantreden om met hem te strijden?
3 Wie daagt hem uit zonder daarvoor te boeten?
Niemand, hij heeft op de hele aarde zijn gelijke niet.
4 Ik zal niet zwijgen over zijn machtige dijen,
over zijn geweldige krachten en fraaie gestalte.
5 Wie kan zijn opperhuid afvillen?
Wie dringt door zijn dubbele pantser (41:5) pantser
– Volgens de Septuaginta. MT: ‘bit’. heen?
6 Wie heeft de kracht om zijn kaken te openen?
Schrikwekkend gapen de tanden in zijn muil.
7 Zijn rug is met schilden geschubd,
ondoordringbaar verzegeld.
8 Ze sluiten dicht op elkaar aan
en laten niet de minste lucht door;
9 het ene kleeft vast aan het andere,
aaneengesloten en onscheidbaar.
10 Wanneer hij proest, flikkert het licht,
zijn ogen schitteren als de dageraad.
11 Brandende fakkels komen uit zijn bek,
vonkenregens vliegen door de lucht.
12 Zijn neusgaten walmen,
als een kokende ketel of rokend riet.
13 Zijn adem laat kolen ontbranden,
uit zijn bek slaat een vlam.
14 Zijn nek zwelt op van kracht,
zijn muil straalt niets dan verschrikking uit.
15 Zijn vlees sluit dicht om hem heen,
als om hem gegoten, onwrikbaar.
16 Zijn hart is hard als een rots
en hard als de onderste maalsteen.
17 Komt hij overeind, dan deinzen stortzeeën terug
en wijken brekers.
18 Geen tegen hem getrokken zwaard houdt stand,
geen speer, geen lans, geen pijl.
19 IJzer beschouwt hij als stro,
brons als rot hout.
20 Hij slaat niet op de vlucht voor de pijl uit de boog,
slingerstenen raken hem – het zijn maar stoppels.
21 Voor hem is een knuppel als stro
en hij lacht om het suizen van speren.
22 Zijn onderlijf is zo scherp als een scherf;
als een dorsslede snijdt hij door de modder.
23 Hij laat de diepten kolken,
de zee als een mengkroes zieden.
24 Hij laat een spoor van lichten achter,
alsof de zee met zilverwitte koppen is bekroond.
25 Hij heeft op de aarde zijn gelijke niet,
hij is een schepsel zonder vrees.
26 Op al wat hoog is kijkt hij neer,
hij is de koning van alle trotse dieren.’